donderdag 30 juli 2015
De geschiedenis van Serafina (van der Sommen -) de Groot
woensdag 15 juli 2015
Vervolg van het verslag van de roofmoord te St. Oedenrode
Hoewel de heer F. van der Sommen geen rol van enige betekenis speelt in de rest van de geschiedenis, neem ik toch de moeite om ook de rest van het verhaal uit deze oude krant over te typen:
Een zeer bezwarende getuigenis voor Van den Wildenberg is het volgende:
Hij zou 's middags om 2 uur of half 3 gezien zijn in een weiland bij Schijndel-spoor in gezelschap van personen, wier signalement met dat der twee personen uit de tram overeenkomt. Van den Wildenberg is daar op den trein naar Eindhoven gestapt. Waar hij omstreeks 4 uur is aangekomen. Onmiddelijk heeft hij toen de tram van 5 uur genomen, die over St. Oedenrode naar Den Bosch rijdt.
Het vermoeden is nu, dat Van den Wildenberg met beide individuen een afspraak heeft gemaakt en hun de noodige aanwijzingen heeft gegeven voor den diefstal in de fabriek. Dat hij daarna een reisje naar Eindhoven heeft gemaakt om vandaar naar den Bosch terug te keren en daar met de dieven de buit te deelen.
Men deelde aan het blad mede. -- maar dat had nog geen bevestiging ontvangen -- dat Van den Wildenberg, in wiens bezit een bedrag van f2000 moet gevonden zijn, bekend heeft, en dat hij als een der daders een Amsterdamsch diamantslijper heeft aangewezen, wiens naam hem echter onbekend is. Wij deelen dit echter onder voorbehoud mede.
Ook werd ons medegedeeld, dat v.d.W. voor het onderzoek naar Amsterdam zou worden overgebracht.
In het "E.D." lezen we daarover:
De familie Dies uit St. Oedenrode was Vrijdag tusschen vijf en zes uur op wandeling in de buurt van de boterfabriek "St. Oda", toen ze in den omtrek daarvan twee er zeer verdacht uitziende individuen zagen ronddolen. Deze gingen het terrein der fabriek op.
Een hunner was licht gekleed, groot van gestalte, de ander, wat kleiner, droeg een donkere overjas. De een liep om het fabrieksgebouw, de ander klopte aan de deur. De directeur, de heer Kruijsdijk, kwam opendoen en de twee onbekenden slopen haastig naar binnen.
Nog vernamen wij het volgende zonderlinge voorval:
Vrijdag-middag omstreeks 12 uur of half een kwam een persoon in den scheersalon van den heer Joh. Schneider, Hinthamerstraat te 's Bosch om zich te laten scheren. Zijn kleeding geleek op die van een Hollandsch geestelijke, maar hij zag er maar sjoveltjes uit. Toen hij geschoren was, vroeg hij den bediende of hij hem ook een kruinschering wilde maken, zoo groot als een gulden. Toen de bediende vroeg of hij die scheren zou, antwoordde hij: "Neen, knip 't maar 'n beetje, want 't is maar voor een dag." -- een opmerking die den bediende natuurlijk deed denken: "Wat een vreemde sinjeur!"
Toen de bezoeker heenging, sprong hij op een herenfiets -- geestelijken gebruiken altijd damesfietsen -- 'n oud boerenkarretje met een rood vilten zadeltje. Op het stuur was een pak geborgen, waaruit kleeren te voorschijn kwamen en waarvan de bediende een militaire broek meende te herkennen. De man reed vlug weg in de richting van de Markt.
Of dit in eenigerlei verband staat met de misdaad weten wij natuurlijk niet, doch het feit is aan de politie meegedeeld.
Op telefonisch verzoek van het parket 's Hertogenbosch werd gisteren in zijn woning aan de Nieuwe Amstelstraat te Amsterdam gearresteerd zekere Isaäc Brilleslijper, verdacht eenige dagen geleden den moord gepleegd te hebben op den heer Kruisdijk, directeur der St. Oda-fabriek te St. Oedenrode. Welke beweegredenen de Bossche justitie daarvoor had, is niet bekend.
De centrale recherche voldeed aan 't verzoek en zoo werd Brilleslijper ingerekend.\Hij gaf voor, niets van den moord af te weten.
Naast het lijk had men een gebroken scheermes gevonden. En nu wilde het toeval, dat de verdachte een groote snede dwars over de wang had. Op de vraag, wie hem de verwonding had toegebracht, antwoordde hij, dat dit door zijn barbier was gebeurd.
De heer Van Ledden Hulsebosch, die gewaarschuuwd werd en het scheermes in zijn bezit had, liet een politieman komen. Nu naderde een spannend ogenblik. Een dertigtal petten en hoeden werden op een rij gelegd, waarna den politiehond "Albert" lucht werd gegeven aan het scheermes. Nauwelijks had het beest aan het voorwerp geroken of het snelde op de hoofddeksels af en hapte zonder aarzelen in Brilleslijper 's pet. Hetzelfde experiment werd toegepast op een tweede pet van Brilleslijper, met hetzelfde sensationele resultaat.
Er zijn aanwijzingen, dat de verdachte inderdaad met eenige kennissen op stap is geweest in St. Oedenrode.
Het verdere onderzoek wordt te Amsterdam niet geleid, daar de Amsterdamsche recherche slechts op verzoek tot arrestatie overging. Heden is de vermoedelijke dader naar 's Hertogenbosch vervoerd. Er is een fotografische opname van zijn verwonding genomen, terwijl dr. Schoo zal vaststellen, of de snede een gevolg is van scheren of van een haal met een scheermes.
Roofmoord te St. Oedenrode 1919, bijrol voor F. van der Sommen
Provinciale Berichten.
De roofmoord te St. OedenrodeMen meldt nader uit St. Oedenrode aan de 's Bossche Crt.
Omtrent den vreeselijken moord alhier gepleegd Vrijdag j.l. op den heer H.C. Kruijsdijk, Directeur der Stoomroomboterfabriek "St. Oda", alhier, kunnen wij thans de navolgende bijzonderheden berichten:
De heer v.K. was gewoon des namiddags ongeveer zes uur in zijn kosthuis een kop thee te gaan gebruiken. Om 9 uur des 's avonds was hij er echter nog niet geweest, en toen werd de kostjuffrouw ongerust. Zij zond iemand (den slager Beljouw, die ook bij haar inwoont) uit om te gaan kijken en deze persoon vervoegde zich bij een arbeider van genoemde fabriek. Te zamen gingen zij met nog een anderen arbeider naar de fabriek en vonden aldaar de voordeur geopend.
Zij liepen door naar het kantoor en zagen tot hunne verwondering dat de brandkast open stond.
Alvorens verder te kijken besloten zij onmiddellijk de gemeentepolitie te waarschuwen.
Veldwachter Rellings en Rijksveldwachter Vossen waren direct ter plaatse, waarna het onderzoek begon. De arbeiders der fabriek merkten op, dat het rijwiel van den Directeur niet op de gewone plaats stond, doch in het achterlokaal tegen de grond was gesmeten.
Een der rijwielbanden was met bloed besmet. Direct daarna viel het hun op, dat op verschillende plaatsen bloedvlekken lagen in de richting van het kantoor.
Vervolgens vonden zij een bebloede handdoek, waaraan vermoedelijk de moordenaars hunne handen hadden afgedroogd.
De richting naar het kantoor volgende, zagen zij aldaar de brandkast geopend. Op de tafel lag de pijp van de Directeur met een bebloed scheermes, met een stuk heft eraan. Verschillende papieren zaten vol bloed, terwijl de brandkast op verschillende plaatsen met bloed was bedekt. Direct begon men als nu behalve aan diefstal aan iets vreselijks te denken. Van het kantoor ging men naar de badkamer, waar aan den ingang een groote plas bloed lag met het scheermesetui, benevens een overjasknoop en twee manchetknoopen.
In de badkamer gekomen zagen zij de Directeur in een hoek in een kromme houding voorover liggen, waarna zij constateerden dat het lijk reeds koud was, De muren in de badkamer waren ter hoogte van ongeveer 1.5 M. op verschillende plaatsen met bloed bedekt.
Onmiddellijk werd de burgemeester en de geneesheer ontboden, die direct ter plaatse waren aangekomen. De dokter kon echter slechts den dood constateren.
Op grond van het navolgende wordt verwacht, dat de vreeselijke misdaad heeft plaats gevonden tusschen vijf en zes uur des namiddags. Op het genoemd uur zijn door verschillende personen in de buurt, en aan de fabriek gezien twee als heer gekleede personen, welken de Directeur zelf moet hebben binnengelaten.
Na volbrenging van hunne misdaad zijn zij vermoedelijk gegaan in de richting Schijndel en even voorbij "Cafe Buitenrust" op den tram gestapt in de richting 's Bosch, die om ongeveer half zeven vertrekt uit St. Oedenrode. Door den tramconducteur moeten deze twee personen er op gewezen zijn, dat hunne handen vol bloed zaten, waarop zij schijnen geantwoord te hebben, dat zij zich met het afsnijden van een stok in de bramen hadden bezeerd.
Beweerd wordt, dat deze personen in den Bosch aan Sluis 0 zijn afgestapt.
Zaterdag-morgen om 10 uur was het parket reeds gearriveerd, dat tot laat in den avond is werkzaam geweest. In den loop van den dag werden zeer veel personen gehoord, totdat omstreeks vijf uur in de namiddag door den heer Commissaris van Politie te 's Bosch per auto werd binnengebracht een zekere Gerards, verblijvende te 's Bosch. Even daarna, ongeveer 6 uur, arriveerde per auto uit Eindhoven, vergezeld van de Marechaussëe, een zekere van den Wildenberg, tot sinds ongeveer één maand geleden onderdirecteur aan de Boterfabriek alhier.
Deze laatste persoon schijnt met de werkzaamheden in de fabriek geheel op de hoogte te zijn geweest. Opmerkelijk ishet tevens dat v.d.W. in den zelfden tram zat als de twee verdachte personen, na het plegen van de moord. Vermoedelijk zat eveneens in die tram, de hierboven genoemde G., die met v.d.W. zeer veel omgang had.
Deze beide personen zijn door het parket gehoord en daarna in de gevangenis opgesloten,
Zondagmorgen om 12 uur was het parket wederom ter plaatse ten einde de lijkschouwing te verrichten. De verslagenen zag er verschrikkelijk uit. De hals gedeeltelijk afgesneden, terwijl verder in den hals en het hoofd verschillende sneden voorkomen. Verder is bij den rechterpols zijn hand bijna afgesneden, terwijl in het binnenste der linkerhand een froote snede is, waarmee de verslagene vermoedelijk in het scheermes heeft gevat.
Aangehoudene v.d. Wildenberg werd Zondag met het lijk geconfronteerd.
De verslagenen was geboortig van Vessem, waar het lijk vermoedelijk Dinsdag zal worden ter aarde besteld.
Tevens zij hierbij vermeld, dat ongeveer twee maanden geleden, toen de penningmeester der boterfabriek vanaf zijne woning naar de fabriek een mandje met geld bracht, een passeerende fietser trachtte dat mandje uit zijne handen te rukken, waarbij echter het mandje stuk werd gerukt, zoodat de inhoud op den grond viel en de fietser er in allerijl vandoor ging. De overbrenging van het geld naar de boterfabriek had in den regel eveneens op vaste tijdstippen plaats.
De stationschef van de Meierijsche tram te 's Bosch, de heer F. van der Sommen hoorde Zaterdag-morgen van den conducteur van de tram van half 9 dat te St. Oedenrode een moord was gepleegd en dat volgens de verklaring van den dokter de heer Van Kruijsdijk toen hij gevonden werd reeds vier uur dood moet zijn geweest. Daaruit besloot de heer F. van der Sommen dat de moord tusschen 5 en 6 uur 's avonds moet hebben plaats gehad. Hij heeft toen dadelijk den conducteur opgezocht, die de tram omstreeks dien tijd uit St. Oedenrode gereden had en vroeg hem of hij niets verdachts gezien had. Na eenig nadenken zei de conducteur:"Ja, ik heb twee kerels opgenomen ter hoogte van "Buitenrust". Ze zagen er zeer verdacht uit. De een had een schram over het gezicht en een wonde aan de hand." De conducteur had hem gevraagd: "Ben jij in de strijd geweest ?" waarop hij antwoordde zich bezeerd te hebben bij het afsnijden van een tak.
De heer Van der Sommen heeft den conducteur gezegd, daarvan onmiddellijk kennis te geven aan de politie, terwijl hij zelf den Burgemeester van St. Oedenrode opbelde. De conducteur is per fiets naar St. Michielsgestel gereden en daar met een auto uit St. Oedenrode opgehaald.
dinsdag 14 juli 2015
Vervolg van mijn schrijven aan achter-achternicht Serafina
Ook blijkt er in het Nationaal Archief een registratiekaart op zijn naam bewaard van zijn verblijf in een jappenkamp.
Van beide documenten stuur ik hierbij een afbeelding.
Uit de kampkaart wordt duidelijk dat Anton getrouwd was met mevr. A. Frederiksz, die toen woonde aan de Drukkerijstraat 4 te Djokjakarta.
En ook dat voor hij hij gemobiliseerd werd van beroep Leeraar was aan de Handelsvakschool Oendaän 40 te Soerabaia, en hij toen hij gevangen gezet werd door de Japanners de rang had van landstorm sergeant der 2e klasse infanterie van de 2e compagnie IIe bataljon veldstorm Soerabaia.
De data op het document zijn gerekend vanaf het begin van het keizerschap van Hirohito in 1925.
Dus 17-8-15 moet gelezen worden als 1942 - augustus - 15.
Datum gevangenname 10 maart 1942
Datum opname in het kamp 15 augustus 1942
Datum overdracht aan de geällieerde strijdkrachten: 31 oktober 1945
In wikipedia wordt de geschiedenis van de inval van Japan op Java, en de rol van de KNIL als volgt beschreven:
In verband met deze omstandigheid besloot legercommandant ter Poorten om de hem ter beschikking staande troepen, namelijk vier regimenten infanterie met hulpwapens, zo veel mogelijk te concentreren in West-Java, waar de regeringszetel was gevestigd en waar de voornaamste magazijnen van het leger werden aangetroffen. Ten behoeve van de verdediging van de vlootbasis Soerabaja, gelegen in Oost-Java, diende echter één regiment infanterie te worden achtergelaten. Nadat de voornaamste strijdkrachten van de Koninklijke Marine in de nacht van 27 op 28 februari 1942 in de Javazee roemrijk ten onder was gegaan, had de vijand bij de landing op Java, die op drie ver uit elkaar gelegen plaatsen in de nacht van 28 februari op 1 maart 1942 werd uitgevoerd, volkomen vrij spel. Een luchtmacht, om deze landingen te bestrijden, was niet meer ter beschikking; deze was ten gevolge van de op Malakka en in de Buitengewesten gevoerde strijd dusdanig verzwakt, dat zij bij de acties op Java geen rol van betekenis meer kon spelen. Haar vaandel werd naderhand met de Militaire Willems-Orde gedecoreerd. De vijand, ter sterkte van ongeveer acht divisies, begon direct na zijn geslaagde landing met zijn opmars, en wist zich van een van de belangrijkste vliegvelden meester te maken. Pogingen van de Nederlanders om dit vliegveld te heroveren mislukten, waardoor feitelijk het lot van West-Java bezegeld was. Ook in Midden-Java en Oost-Java hadden de Nederlanders een echec geleden; de troepen waren ten gevolge van de vele verplaatsingen en het gemis aan behoorlijke nachtrust volkomen uitgeput, zodat op 8 maart 1942 tot capitulatie moest worden besloten. De strijd werd echter op Sumatra, onder leiding van generaal-majoor Overakker, tot 28 maart 1942 voortgezet, waarna ook daar tot de overgave moest worden overgegaan. Deze datum is ook het tijdstip waarop aan het bieden van georganiseerde weerstand een einde kwam; in enkele gebieden in de Archipel, namelijk Noord-Celebes, Timor en Nieuw-Guinea werd de strijd door guerrillatroepen nog voortgezet. De worsteling om het bezit van Nederlands-Indië duurde ongeveer 3 maanden. Van het begin af aan was deze strijd, gelet op de sterkteverhoudingen en vooral met het oog op de Nederlandse zeer zwakke luchtstrijdkrachten, een hopeloze onderneming.
Aan mijn achter-achternicht Serafina de Groot - van der Sommen
Ik heb met belangstelling je email wisseling met mijn zus Paula gevolgd.
Van tijd tot tijd duik ik, als ik wat tijd vind in de geschiedenis van de "van der Sommens"
Wat ik vind sla ik dat op in het systeem Aldfaer. Ik ben niet alleen geïnteresseerd in de droge stamboomgegevens, maar vooral in hoe het leven van de betrokkenen er uit zag.
Soms vindt je die informatie op hun bidprentje, soms door een stukje in de krant.
Een heleboel historische kranten zijn tegenwoordig digitaal in te zien via
nb.nl
De site van de Nationale Bibliotheek .
Afgelopen winter heb ik zo kranten afgespeurd op de naam "van der Sommen"
Dat leverde bijgaande verzameling op.
Toen ik las dat je vader in Indonesie is geweest moest ik meteen denken aan enkele knipsels uit deze verzameling:
Het Vaderland 30 november 1925 uit de passagierslijst van mailschip Rawi op 28 november 1925 vertrokken van Rotterdam naar Nederlands Indië met aan boord A.W.C. van der Sommen
Bataviaansch Nieuwsblad van 16 juni 1930: Overgeplaatst van de meisjesschool te Cheribon naar de H.I.S. te Tjitjalenka de onderwijzeres der 3e klasse mevr. A. van der Sommen geb. Fredrikz.
De Indische Courant 17 juni 1930:
Overgeplaatst van de meisjesschool te Cheribon naar de H.I.S. te Tjitjalengka de onderwijzeres der 3e klasse mevr. A. van der Sommen geboren Fredrikz.
Soerabaiasch Handelsblad 23 juli 1930:
Geslaagd zijn: te Bandoeng A.C.W. van der Sommen,
De Indische Courant 19 sept 1930:
Geslaagd . . voor Boekhouden . . . de heer A.W.C. van der Sommen Bandoeng
De Indische Courant 19 augustus 1931
Wegens zevenjarigen dienst negen maanden verlof naar Europa verleend aan mevr. A. van der Sommen geboren Frederikz, onderwijzeres bij de openbare Europeesche 1ste lagere school C. te Bandoeng; met de bepaling, dat ze haar betrekking den 2e September zal neerleggen.
De Indische Courant 2 september 1931
Passagierslijst boot naar Genua, Southampton-Amsterdam.
A. van der Sommen mevr,
Het Vaderland 26 september 1931
Indische Dienst. Verlofgangers: mevr. A.van der Sommen, geb. Fredrikz, onderw. b/h O.W.L.O., Breda
Voor wat onze verwantschap betreft het volgende:
Onze gemeenschappelijke voorouders zijn Franciscus Marcellus van der Sommen(1798 - 1857) en Jacoba van Etten (1805 - 1879)
Jouw tak begint bij zoon Thomas (1824 - ?) van beroep borstelmaker, gehuwd met Johanna Lutters (1829 - 1901)
De onze, bij Thomas' broer Carolus (1834 - 1891) van beroep borstelmaker, gehuwd met Maria Agnes Smits (1838 - 1907) .
Thomas had drie zonen:
Franciscus Marcelus (1854 - 1911) borstelmaker gehuwd met Goverdina Maria Andriessen (? - 1909)
vanaf 1901 secretaris van het Eindhovensch Mannenkoor; 40 jaar lid van het parochiekoor van St. Catharina in Eindhoven.
Franciscus Marcelus trouwde pas op 41 jarige leeftijd met Goverdina. Het huwelijk werd gezegend met een talrijke kinderschaar:
Thomas Karel Cornelis (1896 - 1929) was de oudste zoon, volgde in vaders voetsporen als borstelmaker. Fungeerde na overlijden van moeder in 1909 en vader in 1911 als gezinshoofd voor het overgebleven gezin. Stichtte en dreef een borstelfabriek aan de Prins Hendrikstraat en Demer.
Uit de geboorteakte van Antonius Wilhelmus Cornelis van 16 maart 1900 blijkt dat hij een zoon was van Cornelis Henricus.
Gaan we verder met onze tak.
Carolus was de vader van Franciscus Thomas (1875 - 1932)
Uit zijn tweede huwelijk, met Paulina Bastings werd Carolus Petrus Cornelis (1922 - 1974) geboren. Uit wiens huwelijk met Hubertha Maria Bemmelmans (1920 - ) mijn broers, mijn zusters en ik zijn voortgekomen.
Samengevat:
Thomas en Carolus waren broers
Jouw vader en mijn vader waren achterneven
Dat maakt ons achter-achterneef en -nicht.
Ik hoop dat ik je een beetje vooruit geholpen hebt.
Heb je van jouw kant van de familie gegevens, waarmee ik mijn administratie kan aan vullen dan ontvang ik die graag van je!
Met vriendelijke groet,
Frans van der Sommen
maandag 13 juli 2015
Wat weet ik nu helemaal van mijn grootvader ?
Franciscus Thomas van der Sommen (1875 - 1932)
Tien jaar bij oom Thomas
Militaire Dienst
Eleven muzikant bij het 4e bataljon 2e Regiment Infanterie
Een "élève-muzikant" in het 4e bataljon, 2e regiment infanterie rond 1900 was een jonge militair in opleiding tot muzikant, die deel uitmaakte van de regimentskapel of het tamboerkorps. Het was een functie waarin militaire dienst werd gecombineerd met een muziekopleiding.
Taken en rol
De voornaamste taken en rol van uw grootvader hielden in:
Opleiding: Hij volgde een formele muziekopleiding binnen het leger om een bekwaam militair muzikant te worden. Dit omvatte waarschijnlijk zowel theorie- als praktijklessen op een specifiek instrument.
Muzikale prestaties: Als onderdeel van het muziekkorps van het regiment verzorgde hij muziek tijdens militaire ceremonies, parades, marsen en andere officiële gelegenheden. Militaire muziek speelde een belangrijke rol bij het moreel van de troepen en de uitstraling van de krijgsmacht.
Openbare concerten: Naast militaire taken gaven de muziekkorpsen ook regelmatig openbare concerten voor de burgerbevolking, wat bijdroeg aan de band tussen het leger en de maatschappij.
Militaire rang: Hoewel de focus op muziek lag, had hij de status van militair en viel hij onder de militaire discipline en hiërarchie. De rang van élève-muzikant was waarschijnlijk vergelijkbaar met die van een soldaat of korporaal, maar dan met een specifieke muzikale specialisatie.
Dagelijkse dienst: Tussen de muzikale verplichtingen door nam hij waarschijnlijk ook deel aan algemene militaire taken en oefeningen die van een soldaat werden verwacht.
Kortom, uw grootvader was een leerling-muzikant die een essentiële, zij het gespecialiseerde, rol speelde in het militaire leven en de ceremoniële aspecten van zijn regiment..
Daarna vroeg ik me af of er meer bekend was van deze muziekkapel van het 2e regiment. Google kwam met dit antwoord:
Het Muziekkorps van het 2e Regiment Infanterie (2RI) was een bekende militaire kapel in Nederland rond 1900, opgericht door Luitenant-Kolonel M. Rutgers van der Loeff en bestond uit soldaten die al muzikaal waren, en werd geleid door kapelmeesters zoals Christian Hörmann (1892-1906). Deze eenheid speelde een belangrijke rol in het garnizoensleven en was onderdeel van de traditie van regimentsmuziek, maar werd in 1906 opgeheven.
Charel Bastings in zijn Zouaven uniform














